|
Grote namen in het Amerikaanse muziekcircuit maken er zo af en toe een sport van om nog jonge onbekende singer-songwriters mee op tournee te nemen. De geste is voorbeeldig te noemen. Nog mooier wordt het als diezelfde beroemdheden een platform daarvoor creëren. Judy Collins is zo’n Diva. Ze zong soms ook liedjes die anderen voor haar schreven. Eind jaren zestig scoorde Collins een knaller van een wereldhit met Joni Mitchell's ‘Both Sides Now’. Dat liedje stond op Collins debuutalbum “Wildflowers” en laat nu uitgerekend haar independent label daar ook naar vernoemd zijn.
Een aantal maanden geleden bespraken al, van dat label Kenny White’s “Symphony in 16 Bars” nu krijgen we de prettige kriebels van de uit Nashville afkomstige Wes Charlton. Deze knaap is pas vijfentwintig en zoekt nog naar wat hij precies wil. Op de opvolger van “American Bittersweet” (2005), “World On Fire” beheerst deze veelzijdige knaap behoorlijk wat muziekstijlen in het poprock genre. Hij houdt in ieder geval de classic sixties rock springlevend op deze plaat. In de States hebben de stijl American Trad Rock genoemd. Misschien ongebruikelijk maar een bandnaam als Cracker zou dan in stellingen gebracht kunnen worden, in relatie met de muziek die Charlton maakt. Met name Charlton’s stem heeft wel iets weg van Cracker zanger David Lowery. Daarnaast schrijft Charlton ook intelligente teksten. In songs als “Still Here” en “Red Eyes, Blue Lights” laat hij in bedekte termen horen dat hij alle zijlen bij heeft staan om een gestructureerd leven te genieten. Afgesloten wordt er met “Change Will Come”. Had deze knaap een ingeving, is het puur toeval of is hij enkel en alleen nog maar de tekst “Yes we can” vergeten? Charlton kan het allemaal maar moeilijk bevatten daar in het O zo conservatieve Tennessee.
“World On Fire” is een verrassende dynamische plaat van een artiest die duidelijk nog zoekende is. Krijg het idee dat als Charlton eenmaal zijn draai gevonden heeft er geen houden meer aan is. Met andere woorden, zou deze ruw geslepen diamant niet gewoon ruw geslepen moeten blijven? (Jan Janssen)
|